Onrechtmatige sluiting bedrijfspand; vergoeding gederfde huurinkomsten door burgemeester
Onlangs heeft de hoogste bestuursrechter een uitspraak gedaan die van belang kan zijn voor pandeigenaren die te maken krijgen met een sluiting van het pand op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).
Feiten
In de uitspraak van 15 januari 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2025:110) ging het om een bedrijfspand waarin bij een controle gestolen goederen werden aangetroffen. Na eerst een voornemen kenbaar te hebben gemaakt, heeft de burgemeester van de betreffende gemeente het pand op basis van de APV gesloten voor de duur van zes maanden. Volgens de burgemeester was de sluiting noodzakelijk en passend om de handel in gestolen goederen ongedaan te maken, het gebruik en de bekendheid van het pand waar strafbare feiten worden gepleegd te doorbreken, recidive te voorkomen, de openbare orde in de omgeving van het pand te herstellen en verdere nadelige gevolgen van de handel op het openbare leven en andere lokale omstandigheden te beperken. Bovendien ging van het sluiten van het pand volgens de burgemeester een preventieve werking en signaalfunctie uit, doordat voor derden duidelijk is dat strikt wordt opgetreden tegen handel in gestolen goederen.
Beroep
In beroep heeft de rechtbank geoordeeld dat de burgemeester weliswaar bevoegd was tot sluiting van het bedrijfspand, maar dat hij in dit geval geen gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid. De burgemeester had namelijk de noodzaak en de evenredigheid van de sluiting onvoldoende feitelijk en concreet onderbouwd. Volgens de rechtbank was onvoldoende duidelijk waarom de sluiting van het pand noodzakelijk was om de handel in gestolen goederen ongedaan te maken en recidive te voorkomen. Verder was niet gebleken van loop naar het pand, noch van een verstoring van de openbare orde en veiligheid. Ook had de burgemeester de verwijtbaarheid van de verhuurder onvoldoende onderbouwd. De rechtbank heeft daardoor aan de verhuurder een schadevergoeding toegewezen, gelijk aan de hoogte van de gederfde huurinkomsten, vanwege de schade die het gevolg was van de sluiting van het bedrijfspand.
Hoger beroep
In hoger beroep betoogt de burgemeester dat de sluiting voor de duur van zes maanden wel voldoende feitelijk en concreet was onderbouwd, omdat de sluiting al noodzakelijk was vanwege de ernst en de omvang van de overtreding. Bovendien vond de burgemeester dat hij meer gewicht mocht toekennen aan de ernst en de omvang van de overtreding en de overige verzwarende omstandigheden, dan aan het enkele financiële belang van de pandeigenaar. Volgens de Afdeling kon de burgemeester op grond van de APV een voor het publiek openstaand gebouw sluiten. De burgemeester dient daarbij een belangenafweging te maken tussen enerzijds het belang van de bescherming van de openbare orde, tegenover anderzijds het belang van de pandeigenaar om het bedrijfspand te kunnen verhuren. De Afdeling vindt sluiting op zich een geschikte maatregel om bescherming van de openbare orde te bereiken. De vraag was echter of sluiting voor de duur van zes maanden noodzakelijk was.
De Afdeling is van oordeel dat de burgemeester niet aannemelijk heeft gemaakt dat de sluiting, op het moment dat het bestreden besluit genomen werd, nog noodzakelijk was om de handel in gestolen goederen ongedaan te maken en om dit in de toekomst te voorkomen. Naar aanleiding van het voornemen tot sluiting had de pandeigenaar de huurovereenkomst met de huurder al beëindigd. Hierdoor had deze huurder ten tijden van de feitelijke sluiting het bedrijfspand al verlaten. Ook had de pandeigenaar op dat moment al een nieuwe huurder gevonden voor het bedrijfspand. De overtreding was daarmee ongedaan gemaakt en de kans op recidive weggenomen. De openbare orde was in zoverre dus al hersteld. De sluiting was daarmee in strijd met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 tweede lid Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht het verzoek om schadevergoeding heeft toegewezen tot een bedrag dat gelijk is aan de gederfde huurinkomsten. Hoewel de pandeigenaar een eigen aandeel heeft gehad in het ontstaan van de schade door zelf de huurovereenkomst op te zeggen, moet deze handeling redelijkerwijs aan de burgemeester worden toegerekend.
Afsluitend
Uit deze uitspraak volgt dat een sluiting van een pand op basis van de APV niet altijd evenredig is, zeker niet als de pandeigenaar naar aanleiding van een voornemen tot sluiting al de benodigde acties onderneemt.
Heeft u vragen over dit onderwerp? Neem dan contact op met een van onze advocaten van de afdeling bestuursrecht.